• "Ieder kind in een gezin"

  • 1

Voor de meeste kinderen en jongeren die niet meer bij hun biologische ouders kunnen wonen, is plaatsing in een vervangende gezinsvorm - pleeggezin of gezinshuis - het allerbeste.  Maar daarmee zijn leefgroepen  nog niet overbodig geworden, betoogt Jan Willem de Zeeuw, beleidsadviseur en onderzoeker jeugd. Investeren in een goed pedagogisch  klimaat  in leefgroepen blijft volgens hem van belang.

Er is in de internationale wetenschappelijke wereld veel kritiek op instituutsbehandelingen (Hermanns, 2011). Het aangaan van een opvoedingsrelatie in een tehuis is moeilijk, omdat het gaat om meerdere professionele opvoeders, die in roosterdiensten contact hebben met het kind. Een tweede punt is dat kinderen in een leefgroep vaker ongewenst antisociaal gedrag van elkaar overnemen (deviancy training). Een derde punt is dat door verblijf in een tehuis kinderen nauwelijks kunnen deelnemen aan de samenleving, vooral in het  onderwijs en vrije tijd. Daartegenover staat onderzoek dat laat zien dat de effectiviteit van de leefgroepen niet onder doet voor niet-residentiële hulp (Helm, 2012). Behandeling in leefgroepen kan volgens Helm c.s. effectief zijn als de randvoorwaarden goed zijn: hulpverleners die contact maken met jongere en het ontwikkelen van goede onderlinge verhoudingen met zo min mogelijk repressie. In een artikel van Jongepier en Struijk wordt het dilemma van leefgroepen omschreven als 'beheersing versus opvoeden' (Jongepier, Struijck, & van der Helm, 2010). Zij geven een aantal aanbevelingen om het pedagogisch klimaat in leefgroepen te verbeteren: versterken van het vakmanschap in opvoeden, communicatie, structurering van de dag en groepsdynamica en een goede leefruimte.

Alternatief
Je kunt je afvragen of het zinvol is om veel energie te steken in het verbeteren van het pedagogisch klimaat van leefgroepen, terwijl er een beter alternatief is. Voor gezinshuisouders is opvoeden de eerste en vanzelfsprekende taak. Dit hoeft veel minder te 'concurreren' met het beheersen van probleemgedrag van kinderen, omdat er minder kinderen zijn met verschillende leeftijden. Er zijn minder personen bij de opvoeding betrokken, één of twee volwassenen, die altijd aanspreekbaar zijn. Er is minder overdracht: communicatie is voor iedereen overzichtelijker. Een groep jongeren van ongeveer dezelfde leeftijd is geen 'natuurlijke' situatie en het is niet eenvoudig om met alle groepsleiders en jongeren tot overeenstemmende waarden en normen te komen. Het gezinshuis is ook wat dit betreft in het voordeel, met minder volwassenen en een kleinere groep kinderen met meer diversiteit  Dat leidt mijns inziens tot een andere groepsdynamiek, waarbij eerder een gevoel van verbondenheid kan ontstaan. De leefruimte in een gezinsvorm is verzorgd en gezellig. In leefgroepen is daar nog we veel winst te behalen.

Capaciteit
Er is echter niet één oplossing is voor kinderen en jongeren. Hans Boutelier merkt op dat het gaat om de vraag: 'wat werkt voor wie, in welke situatie' (Boutelier, 2012). Voor een aantal kinderen of jongeren zal behandeling in een leefgroep noodzakelijk zijn, omdat behandeling in een gezinssetting niet mogelijk is. Het is niet eenvoudig te bepalen wanneer dit het geval is, omdat meestal sprake is van een aaneenschakeling van eerdere en verschillende vormen van hulpverlening, die van invloed zijn op iedere volgende stap. Het is ook duidelijk dat kinderen in gezinsstructuren meer kans hebben betrokken te raken in de samenleving, die zo belangrijk zijn voor het 'herstel van het gewone leven'. In de breedte van de jeugdzorg is de beweging naar meer kinderen opvangen en behandelen in gezinsvormen een verstandige strategie. Er is momenteel echter onvoldoende capaciteit in gezinsvormen. Waar jongeren in een leefgroep worden opgevangen en behandeld, moet worden geïnvesteerd in groepsleiders, werk- en leefklimaat.

Bibliografie

  • Boutelier, H. (2012). Evidentie van bovenaf - bezieling van onderop. In J. Uitermark, A. Gielen, & M. (Ham, Wat werkt nu werkelijk? (pp. 240 - 250). Amsterdam: Van Gennep.
  • Helm, P. v. (2012). De hardnekkige mythe dat 'niks werkt 'in de gesloten jeugdzorg. Orthopedagogiek: Onderzoek en Praktijk, 51 (11), 470 - 480.
  • Hermanns, J. (2011). Goed geregelde jeugdzorg? In H. Pijnenburg, Zorgen dat het werkt. Werkzame factoren in de zorg voor jeugd (pp. 61-79). Amsterdam: SWP.
  • Jongepier, N., Struijck, M., & van der Helm, P. (2010). Zes uitgangspunten voor een goed pedagogisch klimaat. Jeugd en Co.